17-10-2011 | Wat staat je als examenleerling te wachten als je straks jouw diploma op zak hebt? In wat voor wereld kom je terecht? Ga je op kamers, of blijf je thuis wonen? Hoe ga je zorgen voor voldoende geld om rond te komen? Gaat studeren eigenlijk wel samen met christen-zijn? Allerlei vragen die voor de examenleerlingen in de loop van het jaar steeds belangrijker gaan worden en daarom was het de hoogste tijd om op 13 oktober 2011 met de leerlingen van vwo-6 en hun thuisfront door te praten over dit onderwerp.
Als eerste schilderde de spreker de context van de studentenwereld. Scholieren die het studentenleven binnenstappen komen vanuit een beschermde omgeving in een situatie die veel van hen vraagt: als kind van hun tijd kunnen ze nog wel overweg met het postmodernisme met zijn scala aan sociale rollen. Jongeren zijn elastisch en plooibaar als barbapapa’s, maar misschien is het voor het eerst dat ze echt moeten verwoorden waar ze voor staan. Dat betekent dat ze het geloof moeten doorleven.
De context van het studentenleven houdt daarnaast ook in dat de wereld overvoerd is met een impulscultuur. Het hele leven is snel, fragmentarisch en afwisselend. De jeugd is gericht op service, duidelijkheid, echtheid en effectiviteit. Alles wat jongeren doen moet rendement hebben. De drie waarden die hierbij centraal staan zijn zelfontplooiing, geluk en vrijheid.
Studenten komen vanuit hun sociale context (dus) in een situatie terecht waarin alle vanzelfsprekendheid weg is. Studenten zijn voor het eerst zelfstandig, ze moeten voor hun eigen geld zorgen en ze zijn op een leeftijd dat (s)experimenteren een rol gaat spelen. Wellicht is het voor het eerst dat ze door anderen worden bevraagd op hun identiteit. Werkelijk alles lijkt ter discussie te staan, logisch aangezien dat de essentie van de wetenschap is: de werkelijkheid bevragen.
Juist voor (aankomende) christen-studenten is het belangrijk dat ze weten dat ze allereerst kind van God mogen zijn en dat ze niet alleen een plek zoeken bij gelijkgezinden in een studentenverenigingen, maar ook een basis vinden in de kerk. De kerk en de studenten hebben elkaar nodig: de gemeente hoort een veilige haven te zijn vol bemoediging, terwijl de studenten als kerkleiders van de toekomst stormen doorstaan waarmee de kerk over tien jaar te maken krijgt.
De inspirerende toespraak vond een vervolg bij de mentoren. Aan de hand van een paar stellingen werd nagedacht over alles wat studenten kunnen tegenkomen. De examenleerlingen van nu plooien zich volgend jaar als barbapapa’s tot studenten. Hopelijk denken de koersbepalers van onze toekomst dan nog eens aan het verhaal van dr. Hans Schaeffer.